Zelfstandigenwet: versoepeling of juist aanscherping?

De term Zelfstandigenwet roept bij veel opdrachtgevers het beeld op dat er eindelijk meer duidelijkheid en misschien zelfs meer ruimte komt om met zzp’ers te werken. In de praktijk zien we dat dit al snel wordt vertaald naar de aanname dat de risico’s rondom zzp-inhuur afnemen of zelfs grotendeels verdwijnen. Dat beeld is begrijpelijk, maar klopt niet met hoe de plannen er nu uitzien en hoe toezicht daadwerkelijk werkt.

Sterker nog, in veel situaties kan de Zelfstandigenwet juist leiden tot een striktere beoordeling dan het huidige toetsingskader. Dat betekent dat het afwachten van nieuwe wetgeving geen verstandige strategie is, maar juist kan zorgen voor extra risico’s als je je inhuurproces nu niet goed hebt ingericht.

De Zelfstandigenwet is nog niet ingevoerd

Hoewel er veel wordt gesproken over nieuwe regelgeving, is het belangrijk om te beseffen dat de Zelfstandigenwet op dit moment nog niet is ingevoerd en ook nog niet definitief door de Tweede Kamer is behandeld. In de afgelopen jaren zijn meerdere voorstellen voorbijgekomen, zoals de Wet DBA en de VBAR, en elke aankondiging daarvan heeft geleid tot nieuwe interpretaties en verwachtingen in de markt.

De praktijk is echter onveranderd. De Belastingdienst handhaaft nog steeds op basis van de huidige wet- en regelgeving en beoordeelt arbeidsrelaties zoals dat nu ook gebeurt. Dat betekent dat jouw manier van samenwerken met zzp’ers vandaag al bepalend is voor de beoordeling, ongeacht wat er mogelijk in de toekomst verandert.

De grens van €38 biedt geen zekerheid

Een ander punt dat vaak verkeerd wordt geïnterpreteerd, is de genoemde grens van ongeveer €38 per uur. Deze grens komt niet uit de Zelfstandigenwet, maar uit de plannen rondom de VBAR (Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden). In de praktijk wordt deze grens regelmatig gezien als een soort veilige ondergrens, waarbij opdrachtgevers denken dat zij onder of boven dat bedrag automatisch goed of fout zitten. In werkelijkheid ligt dat genuanceerder.

De grens heeft namelijk alleen betrekking op het rechtsvermoeden van werknemerschap. Wanneer een zzp’er onder die grens werkt, kan hij of zij stellen dat er feitelijk sprake is van een dienstverband. In dat geval ligt de bewijslast bij de opdrachtgever om aan te tonen dat er wel degelijk sprake is van zelfstandigheid. Tegelijkertijd geldt dat een tarief boven deze grens geen enkele garantie biedt dat iemand als ondernemer wordt gezien.

De essentie is dat de beoordeling altijd plaatsvindt op basis van het geheel van de samenwerking, en niet op basis van één tariefgrens. Juist daarom wordt het steeds belangrijker om niet alleen de afspraken, maar ook de feitelijke uitvoering en onderbouwing goed vast te leggen.

Wil je begrijpen hoe deze grens precies werkt binnen de bredere plannen? Lees dan ook ons artikel “Nieuwe zzp-regels in 2026? Dit is de koers van het kabinet”.

Drie toetsen die de beoordeling concreter én strenger maken

In de huidige plannen voor de Zelfstandigenwet wordt gewerkt met drie toetsen die samen bepalen of er sprake is van zelfstandig ondernemerschap of van schijnzelfstandigheid. Deze toetsen zijn niet volledig nieuw, maar maken de beoordeling wel explicieter en daarmee in veel gevallen ook strenger.

De zelfstandigentoets kijkt naar de mate waarin iemand zich daadwerkelijk als ondernemer gedraagt. Daarbij spelen factoren zoals het werken voor eigen rekening en risico, het hebben van meerdere opdrachtgevers en het regelen van eigen voorzieningen zoals pensioen of arbeidsongeschiktheid een belangrijke rol.

De werkrelatietoets richt zich op de feitelijke samenwerking tussen opdrachtgever en zzp’er. Hierbij wordt gekeken naar de mate van vrijheid in uitvoering, werktijden en werkwijze, maar ook naar de vraag of er sprake is van aansturing of een gezagsverhouding die lijkt op een dienstverband.

De sectorale toets voegt daar nog een extra laag aan toe. In sectoren waar een verhoogd risico op schijnzelfstandigheid wordt gezien, kunnen aanvullende regels of strengere interpretaties gelden. Juist dit onderdeel kan ervoor zorgen dat de uiteindelijke beoordeling per sector zwaarder uitvalt dan veel opdrachtgevers nu verwachten.

Wanneer niet aan alle drie de toetsen wordt voldaan, kan de conclusie zijn dat er sprake is van schijnzelfstandigheid. Daarmee wordt de beoordeling niet soepeler, maar juist scherper en consistenter toegepast.

De Belastingdienst beoordeelt zzp-inhuur momenteel op een holistische wijze. Zo wordt er namelijk gekeken naar elementen zoals werken voor eigen rekening en risico, ondernemerschap, meerdere opdrachtgevers, een eigen administratie en de afwezigheid van een gezagsverhouding.

Wat er zou veranderen met de Zelfstandigenwet, is de manier waarop deze elementen worden vastgelegd en gewogen. Door de introductie van duidelijke toetsen en mogelijk aanvullende criteria, zoals pensioen en arbeidsongeschiktheid, wordt de beoordeling minder vrijblijvend en beter te onderbouwen vanuit toezichtsperspectief.

Dit betekent dat situaties die nu nog als grijs gebied worden ervaren, verwacht worden om in de toekomst sneller en duidelijker als dienstverband te worden aangemerkt.

 

Afwachten vergroot je risico’s

Juist omdat er veel onzekerheid is over de exacte invulling van de Zelfstandigenwet, kiezen sommige organisaties ervoor om ontwikkelingen eerst af te wachten. Dat is een risicovolle keuze, omdat de huidige handhaving gewoon doorgaat en beoordelingen worden gebaseerd op hoe je het nu hebt ingericht.

Daarnaast bouw je met elke samenwerking een dossier op dat later opnieuw kan worden bekeken. Als de onderbouwing van jouw werkwijze niet klopt, blijven de risico’s bestaan, ongeacht of er nieuwe wetgeving komt.

De verwachting onder juristen en specialisten is bovendien dat de uiteindelijke wetgeving op onderdelen nog kan veranderen, maar niet per definitie soepeler zal worden. In sommige sectoren kan deze zelfs juist strenger uitpakken.

Wat je als opdrachtgever nu moet organiseren

In plaats van te wachten op nieuwe regels, is het voor opdrachtgevers belangrijk om nu al grip te hebben op de manier waarop zij met zzp’ers samenwerken. Dat begint bij het opstellen van duidelijke kaders in een inhuurbeleid, waarin vastligt hoe en onder welke voorwaarden je zelfstandigen inzet.

Daarnaast is het essentieel dat er binnen de organisatie consistente keuzes worden gemaakt, zodat vergelijkbare situaties ook op dezelfde manier worden beoordeeld en ingericht. De werkwijze moet niet alleen logisch zijn, maar ook aantoonbaar en onderbouwd kunnen worden richting de Belastingdienst.

Bij helloprofs.nl zien we dat organisaties die dit goed hebben ingericht, veel minder afhankelijk zijn van veranderingen in wetgeving. Zij hebben hun processen zo opgezet dat ze aansluiten op zowel de huidige als toekomstige toetsing, waardoor zij risico’s beheersbaar houden.

Wat kan ik nu doen?

Wil je ontdekken hoe jouw huidige manier van werken kan aansluiten bij de regels van nu én van later? Plan een gratis vrijblijvend gesprek in. Samen kunnen we sparren over de inrichting van jouw zzp-inhuur. 

Gerelateerde kennisbank artikelen